De Kalender
Kies een jaar tussen 1001 v.Chr. en 3000 n.Chr. De kalender geeft de maanfasen, de equinoxen en zonnewendes, en de gezette tijden die daaruit volgen — met de weekdag, de zonsondergang waarmee elke dag begint, en de datum in zowel de Juliaanse als de Gregoriaanse telling.
Meeus Almanac
New moons, full moons, equinoxes, solstices and the biblical feast days for any year from 1001 BCE to 3000 CE — with the weekday, the sunset that opens each day, and the date in both the Julian and the Gregorian calendar.
Feast days
| Holy convocation | Feast | Date | Weekday | Gregorian calendar | Julian calendar | Begins | Ends |
|---|
Events
| Event | Date | Weekday | Gregorian calendar | Julian calendar | Time UT |
|---|
The feast days
The feast dates follow the rule set given for this calendar, not any rabbinic or modern reckoning. Every day runs from sunset to sunset, so each feast begins at the sunset of the previous evening.
Two places are at work, and they are not the same one. The calendar is reckoned at Jerusalem, always: it is the sunset there that decides whether a new moon falls before or after a day boundary, and so which day carries which date. Moving the observer does not move a single date. What the observer sets is where you are standing — and that decides at what moment the day you have been told about actually opens and closes for you. The two sunset columns are computed for that place from Meeus chapters 12, 15, 22 and 25, and are shown on your own clock; for years outside the age of time zones they fall back to local mean solar time, and the line under the table says which of the two you are looking at.
Every month begins at the new moon. By rule 1, month I is the lunation that holds the first full moon after the March equinox — so that full moon lands on the 14th or 15th, at Passover, and the first day of month VII is a new moon as rule 7 requires. Pesach is the 14th, the Feast of Unleavened Bread runs from the 15th to the 21st, and the Day of Firstfruits is whichever of those days has its daylight half on a Sunday, so it always runs from sunset on Saturday to sunset on Sunday. The Feast of Weeks is 49 days later, again Saturday sunset to Sunday sunset. The Day of Trumpets, the Day of Atonement and Tabernacles fall on the 1st, the 10th, and the 15th to the 22nd of month VII.
Month I usually begins before the equinox: the rule asks that the month contain the first full moon after it, not that it start after it.
“New moon” here means the astronomical conjunction, the moment the Moon passes the Sun and is invisible. Counted from that instant, the full moon of month I falls on the 16th in 1860 of the 4001 years covered, the 15th in 1538, the 17th in 582 and the 14th in only 21 — that is, a day or two after Pesach on the 14th. A calendar that instead opens the month at the first visible crescent, one to two days after conjunction, moves the whole month later and brings that full moon back onto the 14th or 15th. Which of the two you mean changes every date on this page by a day or two.
In 64 of the 4001 years covered, the first full moon follows the March equinox by less than half a day; the page flags those, because a marginally different reading of “after the equinox” would move the entire year one lunation on.
How these dates are computed
Moon phases follow chapter 49 of Astronomical Algorithms: the mean phase from the lunation number k, then 25 periodic terms in the Sun's mean anomaly M, the Moon's mean anomaly M′ and its argument of latitude F, plus 14 planetary corrections. Equinoxes and solstices follow chapter 27 — table 27.A for years up to +1000, table 27.B after that, corrected by the 24 periodic terms of table 27.C.
The algorithms yield Dynamical Time. Times shown here are Universal Time, obtained by subtracting ΔT from the polynomial expressions of Espenak & Meeus, the standard extension of chapter 10 back to −500. ΔT grows from about a minute in 1900 to roughly 4¾ hours in 500 BCE, so it dominates every ancient date on this page.
Year numbering is astronomical: year 0 is 1 BCE, year −500 is 501 BCE. Before 15 October 1582 the Julian column is the date as it would actually have been written and the Gregorian column is proleptic; from that date on it is the other way round. The civil column is the darker one. The weekday is unbroken across the 1582 reform — it is derived from the Julian Day number itself.
Expect the moon phases to be good to about a minute for recent centuries and to a few minutes in antiquity; equinoxes and solstices to well under a minute after +1000 and within about a minute before it. The uncertainty in ΔT itself — tens of minutes at 500 BCE — is far larger than either.
Hoe de datums tot stand komen
De astronomie komt uit Jean Meeus, Astronomical Algorithms (tweede druk): hoofdstuk 49 voor de maanfasen, hoofdstuk 27 voor de equinoxen en zonnewendes, hoofdstuk 7 voor de Juliaanse dag en de weekdag, en de hoofdstukken 12, 15, 22 en 25 voor zonsondergang in Jeruzalem. Die formules geven dynamische tijd; de getoonde tijden zijn universele tijd, verkregen door ΔT af te trekken volgens de polynomen van Espenak en Meeus.
ΔT is geen detail. De aarde draait niet volmaakt gelijkmatig, en het verschil loopt over de eeuwen op: ongeveer een minuut in 1900, maar ruwweg vier en driekwart uur in 500 v.Chr. Bij een oude datum verschuift dat de uitkomst verder dan welke andere stap in de berekening ook.
Waar de dag begint
Alles op deze pagina hangt aan één keuze: een dag begint bij zonsondergang en niet om middernacht. Die keuze is niet van mij. Zij staat in de tekst, en op vier manieren tegelijk — waarvan de eerste zonder meer na te rekenen is.
Als rekensom. Twee geboden gaan over hetzelfde feest, en ze moeten samen kloppen. Leviticus zegt welke dagen het zijn:
En op den vijftienden dag der derzelver maand is het feest van de ongezuurde broden des Heeren; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten. Leviticus 23:6
Het feest loopt dus van de vijftiende tot en met de eenentwintigste. Exodus zegt wanneer het eten begint en ophoudt:
In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond. Exodus 12:18
Tel het na. Begint de dag bij de avond, dan ís “de veertiende, in den avond” het moment waarop de vijftiende begint, en “de eenentwintigste, in den avond” het moment waarop de eenentwintigste eindigt. Daartussen liggen precies zeven dagen: de vijftiende tot en met de eenentwintigste. De twee geboden zeggen dan hetzelfde.
Begint de dag ‘s ochtends, dan valt “de veertiende, in den avond” middenin de veertiende — een dag te vroeg volgens Leviticus — en houdt het eten een halve dag te vroeg op. Dan spreken de twee geboden elkaar aan allebei de uiteinden tegen. Er is maar één telling waarbij ze op elkaar passen.
Als datering. Bij de Grote Verzoendag wordt de dagovergang niet alleen gezegd, maar gebruikt om een dag te dateren.
Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten. Leviticus 23:32
De Grote Verzoendag is de tiende van de maand (Leviticus 23:27). Hij wordt hier gedateerd op de avond van de negende. Dat is alleen een juiste datering als de avond van de negende al bij de tiende hoort.
In het gebruik. Waar de tekst mensen naar de klok ziet kijken, kijken zij naar de zon. Nehemia laat de poorten van Jeruzalem sluiten zodra het begint te schemeren, voor de sabbat (Nehemia 13:19) — te vroeg, als de sabbat pas de volgende ochtend begon. En in Kapernaüm wacht een menigte de zon af:
Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren. Markus 1:32
Zij wachtten omdat het sabbat was en zij niets mochten dragen; bij zonsondergang was die voorbij. Aan de andere kant van dezelfde grens staat Lukas: het is de voorbereidingsdag, en terwijl Jozef het lichaam wegneemt “kwam de sabbat aan” (Lukas 23:54). De ene gaat uit bij zonsondergang, de andere komt op.
En in het scheppingsverhaal. De bekendste plaats staat achteraan, en met opzet.
En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. Genesis 1:5
Die zin keert terug bij elke scheppingsdag: avond, dan morgen, dan de dag geteld. Dat past bij de avondtelling, en zo is hij van oudsher gelezen. Maar hij kan ook gelezen worden als een afsluiting — het werk gebeurt in het licht, en dan gaan er een avond en een morgen voorbij. In hetzelfde vers heet het lichte deel bovendien dag en het donkere nacht, dus het woord doet daar dubbel werk.
Daarom staat Genesis hier onderaan en niet bovenaan. Het past bij de telling, maar het beslist haar niet. Wat haar beslist zijn de geboden hierboven, en die zijn na te rekenen.
De regels die de feesten volgen
Elke dag loopt dus van zonsondergang tot zonsondergang, en elke gezette tijd begint de avond vóór de getoonde datum. Elke maand begint bij nieuwe maan. Maand I is de maanmaand waarin de eerste volle maan na de lente-equinox valt — zodat die volle maan op Pascha valt, en de eerste dag van de zevende maand een nieuwe maan is.
De tekst gebruikt voor deze hoogtijdagen niet één woord maar vier, en ze zeggen niet hetzelfde. In de tabel staan ze uit elkaar.
Gezette tijd, of hoogtijdag: het Hebreeuwse mo’ed, dat de Statenvertaling weergeeft met gezette hoogtijd. Twee Nederlandse namen dus voor één woord, en het is het koepelwoord: Leviticus 23:4 vat er alle dagen van dit hoofdstuk onder samen — ook Pascha en de Dag van de Eerstelingen, waarop juist gewerkt wordt.
Heilige samenkomst: miqra qodesh, een afgekondigde bijeenkomst. Zeven dagen in het jaar dragen die naam, en dat zijn dezelfde zeven die de menora op de voorpagina telt.
Sabbatsrust: shabbaton. Dit komt bovenop de heilige samenkomst, en staat alleen bij de Dag van de Bazuin (Leviticus 23:24) en bij de eerste en de achtste dag van het Loofhuttenfeest (Leviticus 23:39).
Hoge sabbat: shabbat shabbaton, de zwaarste aanduiding. Die valt in dit hoofdstuk maar twee keer: op de wekelijkse sabbat (Leviticus 23:3) en op de Grote Verzoendag (Leviticus 23:32). Die wordt dus op één lijn gezet met de sabbat zelf. Het woord hoog komt overigens niet uit Leviticus maar uit Johannes 19:31, waar over die dag staat dat hij groot was.
Drie hoogtijdagen in de tabel krijgen geen enkele rustaanduiding: de nieuwe maan waarmee het jaar opent, Pascha, en de Dag van de Eerstelingen. Dat is geen weglating. Op die drie is er juist werk: de maan wordt gezien, het lam geslacht, de garf bewogen.
Pascha valt in de namiddag van de veertiende, vóór zonsondergang. De Dag van de Eerstelingen en het Wekenfeest lopen allebei van zonsondergang zaterdag tot zonsondergang zondag, want beide zijn de dag ná een sabbat.
De eerste regel valt buiten het jaar en staat er ter vergelijking. Leviticus 23 opent er zelf mee, vóór alle feesten, en geeft hem precies de twee aanduidingen die verderop ook de Grote Verzoendag krijgt.
| Dag | Wanneer | Heilige samenkomst | Rust |
|---|---|---|---|
| Wekelijkse sabbat | Leviticus 23:3 | hoge sabbat — Leviticus 23:3 | |
| Eerste dag van het jaar | I 1 | — | — |
| Pascha | I 14 | — | — |
| Feest van de Ongezuurde Broden | I 15 – I 21 | dag 1 en 7 — Leviticus 23:7-8 | — |
| Dag van de Eerstelingen | binnen I 15 – I 21 | — | — |
| Wekenfeest | 49 dagen later | Leviticus 23:21 | — |
| Dag van de Bazuin | VII 1 | Leviticus 23:24 | sabbatsrust — Leviticus 23:24 |
| Grote Verzoendag | VII 10 | Leviticus 23:27 | hoge sabbat — Leviticus 23:32 |
| Loofhuttenfeest | VII 15 – VII 22 | dag 1 en 8 — Leviticus 23:35-36 | sabbatsrust op beide — Leviticus 23:39 |
Voorjaar en najaar
Alles hierboven is te rekenen. Wat nu volgt is dat niet: het is een lezing van de feestenkalender die veel uitleggers volgen, en zij staat hier als lezing en niet als uitkomst.
De gezette tijden liggen in twee groepen, met een lege zomer ertussen. De eerste loopt van Pascha tot en met het Wekenfeest, de tweede van de Dag van de Bazuin tot en met het Loofhuttenfeest. In deze lezing zien de voorjaarsdagen op de eerste komst van Yeshua (Jezus) en de najaarsdagen op zijn wederkomst als koning. Ook de menora op de voorpagina laat die tweedeling zien: van de zeven heilige samenkomsten staan er drie in het voorjaar en vier in het najaar.
Wat de twee groepen uit elkaar houdt is niet de uitleg maar de tijd. Van de voorjaarsdagen zegt het Nieuwe Testament zelf dat er iets in vervuld is, en het noemt de dag daarbij:
| Dag | Wat de dag in Leviticus is | Waar het Nieuwe Testament hem opneemt |
|---|---|---|
| Pascha | het lam geslacht in de namiddag van de veertiende (Leviticus 23:5) | 1 Korinthiërs 5:7 |
| Ongezuurde Broden | zeven dagen zonder zuurdeeg (Leviticus 23:6-8) | 1 Korinthiërs 5:7-8 |
| Dag van de Eerstelingen | de eerste garf bewogen, de dag na de sabbat (Leviticus 23:10-11) | 1 Korinthiërs 15:20-23 |
| Wekenfeest | vijftig dagen later, twee broden bewogen (Leviticus 23:15-17) | Handelingen 2:1-4 |
Bij de najaarsdagen ligt het anders. Daar beschrijft Leviticus de dag, en het Nieuwe Testament neemt de beelden op — maar nergens staat dat de dag zelf vervuld is:
| Dag | Wat de dag in Leviticus is | Waar de beelden terugkeren |
|---|---|---|
| Dag van de Bazuin | een gedenkdag van geschal, de eerste van de zevende maand (Leviticus 23:24) | 1 Korinthiërs 15:52; 1 Thessalonicenzen 4:16 |
| Grote Verzoendag | de enige dag waarop de hogepriester achter het voorhangsel kwam (Leviticus 16; 23:27-32) | Hebreeën 9:24-28 |
| Loofhuttenfeest | zeven dagen wonen in hutten, en een achtste dag (Leviticus 23:34-43) | Zacharia 14:16-19; Openbaring 21:3 |
Dat verschil is het enige wat deze lezing draagt, en het is de moeite waard het staande te houden: de eerste groep wordt in de tekst zelf aan een gebeurtenis verbonden, de tweede niet. Kolossenzen 2:16-17 noemt deze dagen een schaduw van wat komen moest — een schaduw van iets dat geweest is, en van iets dat nog komt.
Aan de kalender hierboven verandert dit niets. Die rekent de dagen uit; wat zij betekenen staat daarbuiten.
En de nieuwe maan?
Die staat in Leviticus 23 niet in de lijst. Het hoofdstuk noemt de sabbat en zeven jaarlijkse dagen, en de maandelijkse nieuwe maan hoort daar niet bij. Op de meeste andere plaatsen wordt zij er ook naast gezet in plaats van eronder gerekend: op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden (1 Kronieken 23:31) — drie dingen op een rij, en net zo in Numeri 10:10 en Jesaja 1:14.
Maar op één plaats gebeurt het omgekeerde:
En het zal den vorst opleggen te offeren de brandofferen, en het spijsoffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten, op alle gezette hoogtijden van het huis Israëls; hij zal het zondoffer, en het spijsoffer, en het brandoffer, en de dankofferen doen, om verzoening te doen voor het huis Israëls. Ezechiël 45:17
Let op de vierde uitdrukking. In het Hebreeuws staat er geen en voor: het is geen vierde soort naast de drie ervoor, maar een samenvatting ervan. De feesten, de nieuwe maanden en de sabbatten zijn samen alle gezette hoogtijden van het huis Israëls. Daar valt de nieuwe maan dus wél onder de gezette tijden. Hosea 2:11 doet ongeveer hetzelfde, al staat daar wel een en.
Er is nog een reden om haar erbij te rekenen, en die betwist niemand: één nieuwe maan staat wél met naam in Leviticus 23, namelijk die van de zevende maand. De Dag van de Bazuin is een nieuwe maan en een gezette tijd tegelijk.
Dat de nieuwe maan een dag was waarop iets gebeurde, staat buiten kijf. Er hoorde een offer bij (Numeri 28:11), er werd op geblazen (Numeri 10:10), en in het gewone spraakgebruik staat zij naast de sabbat: het is geen nieuwe maan, noch sabbat (2 Koningen 4:23).
Kort gezegd: in de enge zin van Leviticus 23 is de nieuwe maan geen gezette tijd, in de brede zin van Ezechiël 45:17 wel. De tabel hierboven houdt de enge lijst aan, want die bepaalt de zeven heilige samenkomsten. Maar de maand die de nieuwe maan opent, bepaalt ze alle zeven.
Waar het onzeker is, en waarom
Op twee plaatsen, en beide zijn het waard te weten voordat je op een datum vertrouwt.
De grensjaren. In 64 van de 4.001 jaren die de kalender bestrijkt, volgt de eerste volle maan minder dan een halve dag na de lente-equinox — in één geval met een kwartier. Een iets andere lezing van “na de equinox” schuift het hele jaar een maanmaand op. Die jaren krijgen een waarschuwing bij de tabel hierboven in plaats van een stilzwijgend antwoord.
Conjunctie of sikkel. De nieuwe maan is hier de astronomische conjunctie, het moment waarop de maan de zon passeert en onzichtbaar is. Vanaf dat tijdstip geteld valt de volle maan van maand I in 1.860 van die jaren op de 16e, in 1.538 op de 15e, in 582 op de 17e en in slechts 21 op de 14e — dus een dag of twee ná Pascha op de 14e. Een kalender die de maand in plaats daarvan opent bij de eerste zichtbare sikkel, één of twee dagen na de conjunctie, verschuift alles later en brengt die volle maan terug op de 14e of 15e. Wat je met “nieuwe maan” bedoelt, verandert elke datum op deze pagina.